Rubriek-Amfibie
Stacks Image 3658
tu commenças ta vie / tout au bord d'un ruisseau
tu vécus de ces bruits / qui courent dans les roseaux
qui montent des chemins / que filtrent les taillis
les ailes du moulin / les cloches de midi
soulignant d'un sourire / la chanson d'un oiseau
tu prenais du plaisir / à faire des ronds dans l'eau
(Pierre Barouh)
Stacks Image 3659
Aan de waterkant

Des ronds dans l'eau is het eerste Franse chanson dat me kippenvel bezorgt. Het staat op Pastorale, een langspeelplaat van Liesbeth List uit 1968. Geen idee waarom het lied me zo aangrijpt. Ik ben amper acht of negen. Ik ga elke dag met mon cartable à l'école, maar de blijde tijding dat Paul le frère de Marie en Marie la sœur de Paul is, heeft me nog niet bereikt. Ik ken geen woord Frans. Misschien ben ik een beetje verliefd op de zangeres. Zingt ze immers niet duidelijk mijn naam? Enkele jaren en talloze saaie lessen Frans later kom ik erachter dat ze niet Gabriël maar cabrioles zingt. Een bittere pil. Alsof ik een blauwtje loop. En toch: nu ik snap waar het lied over gaat, spreekt het mij nog meer aan. Ook de kortere, in al zijn eenvoud pakkende versie van Françoise Hardy laat me niet onberoerd. Het lied roept herinneringen op aan een kommerloze kindertijd, eindeloze zomerdagen en gelukzalige uren in de bossen van Beernem en aan de waterkant. Precies het soort kindertijd waaruit singer-songwriter Pierre Barouh destijds zijn inspiratie voor het lied put. Pas tijdens mijn research voor deze tekst kom ik erachter dat hij het lied ook zelf zingt. De combinatie van een vlakke, allesbehalve toonvaste stem met een wat onbeholpen arrangement is een afknapper. Maar de lyrics en de melodie blijven geweldig.


Stacks Image 3660
De brandputten van Bauwens

Van de beken en poelen waaraan ik een groot deel van mijn jeugd doorbreng, valt vandaag geen spoor meer te bekennen. Ze zijn overwelfd, ingebuisd of gedempt. Tot begin de jaren 1970 is mijn uitverkoren speelterrein het stuk braakland dat we thuis de brandputten noemen. De naam verwijst naar twee met asbestplaten verstevigde kuilen waarin het afval van de aanpalende meubelfabriek Gaston Bauwens wordt verbrand. Dioxines? Nooit van gehoord. Seveso is nog geen begrip, maar een obscuur stadje in Lombardije. De fabriek dateert van 1962. Vader werkt er tot aan zijn pensioen als elektricien. Op het satellietbeeld hieronder zijn de twee kuilen aangeduid met rode rechthoeken. De rode cirkel geeft de locatie van mijn ouderlijk huis aan. Alle ingekleurde delen zijn destijds nog weiland, bos of wildernis. Open ruimte die intussen is ingenomen door woningen en nieuwe kantoren, loodsen en een parkeerterrein van de meubelfabriek. Als ik thuis zeg dat ik naar de brandputten ga, bedoel ik daarmee het lichtgroene terrein. De totale oppervlakte bedraagt minstens een hectare en op de zandbodem groeien vooral brem, heide en wat jonge sparren. Op het terrein liggen vier met grondwater gevulde oude zandgroeven. In de meest noordelijke dumpt de fabriek afvalolie en restjes lijm, verf en vernis. Landbouwers uit de omgeving spoelen er hun mestkarren en sproeitanks. Het vieze, oranje water stinkt naar terpentijn en kerosine. In de tweede, veel kleinere kuil liggen metalen vaten te roesten en te lekken. Tussen de ruwe bies broedt al eens een waterhoen, maar de poel zelf is dood. Het water van de derde, nog kleinere kuil is minder sterk vervuild. Er duikt zo nu en dan een bruine kikker in en over het oppervlak glijden schaatsenrijders. Maar de vierde vijver, die aan een beukenbos grenst, krioelt van het leven. Het water is helder, er ligt geen afval in en 's zomers broedt er een kolonie oeverzwaluwen. Dit is mijn paradijs.

Stacks Image 3661
O tempora, o mores!

De kennelijk obligate ecokwezelarij van zowat alle bedrijven en captains of industry neemt stilaan weerzinwekkende vormen aan. Op de website van meubelfabriek Bauwens lees je vandaag dat "het bedrijf ook haar [sic] steentje tracht bij te dragen tot de bescherming van het milieu". Andere tijden, andere zeden. Ik neem aan dat de fabriek haar bedrijfsafval niet langer in de open lucht verbrandt of in vijvers stort, maar ik maak me geen illusies. Het milieu kan ze gestolen worden. Daar is overigens niets mis mee. Bedrijven moeten nu eenmaal winst maken. In het beste geval doen ze dat zonder de wetgeving te overtreden. Maar als het even kan, lopen ze er de kantjes af. Ze komen ermee weg, omdat ze voor werkgelegenheid zorgen. Politici en ambtenaren leggen ze geen strobreed in de weg, zien één en ander lijdzaam door de vingers en knijpen desnoods een oogje dicht. Ben je streng in de leer of gewoon van kwade wil, dan noem je dat nepotisme of zelfs omkoperij. Ik noem het chimpanseecommercie: ik vlooi jou, jij vlooit mij. Volgens het gewestplan Brugge-Oostkust is het terrein dat vandaag door Bauwens wordt ingenomen een woonuitbreidingsgebied. Vreemd, want als het gewestplan in 1977 wordt goedgekeurd, staat de fabriek er al vijftien jaar. De brandputten en de vijvers zijn onder nieuwe loodsen verdwenen en vlak naast de gemeentelijke begraafplaats (rechterbovenhoek) poot het bedrijf een houtzagerij neer. Beernem gunt zelfs de doden geen rust. In de schaduw van de fabrieksschoorsteen, begeleid door de ingetogen herrie van kranen, heftrucks en snerpende cirkelzagen, zullen hier ooit mijn ouders worden begraven. Dan zal ik Bauwens, Beernem, België en bij uitbreiding de hele kosmos vervloeken. Is er nog ruimte voor verdriet?
Stacks Image 3662
Leve de lokketissen

"Ik vroeg me af waarom wij toch allemaal zulke stomme idioten zijn. Waarom willen de mensen, in plaats van de waanzin waar ze hun tijd aan besteden, niet gewoon rondwandelen om naar de dingen te kijken? Die vijver bijvoorbeeld – wat daar allemaal in zit. Watersalamanders, waterslakken, waterkevers, kokerjuffers, bloedzuigers en god mag weten hoeveel andere dingen die je alleen kunt zien met een microscoop. Het mysterie van hun leven, daar onder het wateroppervlak. Aan het kijken daarnaar zou je een heel leven kunnen besteden, tien levens, en dan had je zelfs die ene vijver nog lang niet gehad. En al die tijd dat gevoel van verbazing, die eigenaardige vlam in je binnenste. Het is het enige dat de moeite waard is, en toch willen we het niet." (George Orwell)

Stacks Image 3663
Als ik weer eens door mijn lectuur heen zit en geen tijd of zin heb om een nieuwe voorraad in te slaan, plunder ik de bibliotheek van mijn vrouw. Zo stuit ik op Happend naar lucht, een in menig opzicht visionaire roman van George Orwell uit 1939. Het boek treft me midscheeps. Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog besluit de wat zielige en nostalgische protagonist om na een afwezigheid van twintig jaar weer enkele dagen in zijn geboortestad door te brengen. Maar de stad is na de vorige oorlog onherkenbaar veranderd. De boerderijen, velden en bossen eromheen zijn nagenoeg verdwenen. De vijver bij het oude herenhuis, waaraan hij de meest memorabele uren van zijn jeugd doorbracht, is een vuilnisbelt geworden. Het gebouw zelf is nu een krankzinnigengesticht. De boodschap is duidelijk: er is, letterlijk en figuurlijk, geen weg terug. De stad van zijn jongensjaren bestaat niet meer, net zo min als die jongen zelf. Dit thema is zo oud als de literatuur en vermoedelijk welhaast zo oud als de mensheid: heimwee naar een gouden tijd, gekoppeld aan een afkeer van een destructief heden en angst voor een desastreuze toekomst. De bloei van de jeugd, de verdorring van de volwassenheid en de aftakeling van de ouderdom met zijn onafwendbaar lot. Je kunt erom grienen en je kunt erom schateren. Beide kan ook, desnoods tegelijk. Op de één of andere manier put ik troost uit liederen als Des ronds dans l'eau en boeken als Happend naar lucht. Ik voel me verbonden met de scheppers ervan. We zijn zielsverwanten. Ik vermoed dat alleen echte vrienden, kunst en – voor wie erin gelooft – religie dit soort troost kunnen bieden. Volgens sommigen schiet de wetenschap in dit opzicht tekort. Onzin, natuurlijk. Wetenschap mikt niet op troost, maar op kennis en harde feiten. Wetenschap maakt het leven licht: het is hooguit een schitterend ongeluk, zonder doel of zin. Zoals Milan Kundera vaststelt, bewijzen de geschiedenis en het leven van de meeste mensen dat die lichtheid vaak ondraaglijk is. Ik doe mijn best, maar het lukt me lang niet altijd.

Stacks Image 3664
Het jaar van de soixante-huitards

1968. In Tsjecho-Slowakije maken Russische tanks een einde aan de Praagse Lente. Leuven wordt Vlaams en in Memphis wordt Martin Luther King vermoord. Liesbeth List brengt Pastorale uit en in de Verenigde Staten wint Richard Nixon de presidentsverkiezingen. In Vietnam zet het Tet-offensief de Amerikanen in hun hemd en in Parijs bezetten studenten de Sorbonne. De seksuele revolutie komt op toeren, de vrije liefde is een eerbaar ideaal en de Nederlandse Televisie Stichting zendt de eerste aflevering van De Fabeltjeskrant uit. Veel belangrijker is echter dat moeder in 1968 nog geen nieuwerwetse panty's maar echte nylonkousen draagt. Die houdt ze op met knijpers die aan een zalmroze rubberen korset met luchtkussentjes en een markante kauwgomgeur bengelen. Versleten kousen en exemplaren met een al te opvallende ladder houdt ze apart. Mijn broers en ik maken er schepnetten mee. Speciaal voor deze site en ook wel voor de aardigheid heb ik dat nog eens gedaan. Een oude bezemsteel, twee krammen, wat staal- en binddraad, een nylonkous en een beetje handigheid: meer heb je niet nodig. Het resultaat is een schepnet dat ideaal is om salamanders en allerlei andere beestjes uit beken, poelen en vijvers te vissen. Monsterlijke libellenlarven, grappige kokerjuffers, fonkelende geelgerande waterkevers, bootsmannetjes, bloedzuigers, schaatsenrijders, vlokreeften, zoetwaterpissebedden, posthorenslakken, waterschorpioenen: ze hebben me van kindsbeen af gefascineerd. Als ik ze vandaag in de tuinvijver observeer, overbruggen ze de kloof tussen de jongen die ik was en de stomme idioot die ik ben geworden. "And all the while the sort of feeling of wonder, the peculiar flame inside you. It’s the only thing worth having, and we don’t want it."


Stacks Image 3665
Daar mag je alleen maar naar kijken…

Orwell slaat de plank mis: het kan de meeste mensen echt geen moer schelen wat er allemaal in een vijver zit. Het laat ze siberisch. Af en toe gaan mijn broers, vriendjes en zelfs mijn zus mee op salamanderjacht. Maar in hun hart brandt niet het heilige vuur dat mij aan de waterkant kluistert en dat ook Orwell als jongen moet hebben begeesterd. Gewapend met een emmer en mijn DIY-schepnet trek ik er dan ook vaak alleen op uit. In de elk jaar weer wat viezere beek achter de jongensschool en die ene schone vijver naast de meubelfabriek komen drie soorten salamanders voor: de kleine watersalamander, de vinpootsalamander en de alpenwatersalamander. Wij noemen ze lokketissen, een verrukkelijk oer-Vlaams woord. Het zijn die lokketissen die mijn belangstelling voor de natuur doen ontbranden. De andere beestjes die ik in mijn schepnet aantref, wakkeren haar aan. Zowel in Vlaanderen als in Nederland zijn alle amfibieën nu beschermd. Salamanders vangen is verboden. Daar zijn vast goede redenen voor, maar het zit me toch niet lekker. Schiet een dergelijk verbod zijn doel niet voorbij? Van Buffon tot Cousteau, van Darwin tot Attenborough: vrijwel alle biologen en natuurkenners, inclusief het gros van onze parkwachters en gidsen, zijn tot inkeer gekomen jagers, vissers en verzamelaars. Velen hebben hun wapens, hengels, netten, vallen en kooien ingeruild voor verrekijkers en camera's. Ze schieten alleen nog plaatjes. Anderen blijven beestjes vangen, weliswaar uitsluitend in het kader van één of ander ongetwijfeld cruciaal veldonderzoek. Ik gun ze het plezier dat ze erin scheppen en ben ze dankbaar voor hun bijdrage aan onze kennis. Maar de hartklop van een spreeuw in je hand, het gekriebel van een meikever op je huid, het gespartel van een salamander in een natte nylonkous: geen studie, documentaire, biologieles, bosklas of bezoek aan een milieueducatief centrum weegt daartegen op. Soms ben ik bang dat de natuur in de Lage Landen een heiligdom wordt, een sanctuarium voor een handvol zogenaamde koestersoorten dat gewone stervelingen niet of alleen onder begeleiding van ingewijden mogen betreden. Hoe ontdekt een kind dat het graag en goed tekent, schrijft, acteert, zingt, danst, ontwerpt, kookt of tennist? In elk geval niet doordat volwassenen het meesleuren naar een museum, bibliotheek, toneelstuk, concert, ballet, modeshow, driesterrenrestaurant of Roland Garros. Toch?
Stacks Image 3666
Kikkers met een complex

Ik ben zo blij als een kind wanneer in de tuinvijver het eerste voorjaar na de aanleg ervan al kleine watersalamanders, vinpootsalamanders,
gewone padden en bruine kikkers opduiken. De alpenwatersalamander laat zich voorlopig niet zien, net zomin als de haast even sterk aan het water gebonden groene kikker. Pas in het extreem droge voorjaar van 2011, zes jaar na de aanleg van de vijver, vindt ook die honkvaste kikvors de weg naar de Heuvelstraat 37. Het gaat om twee mannetjes die de hele zomer behoorlijk luid tegen elkaar op kwaken. Meer dan waarschijnlijk stond de poel waarin ze opgroeiden droog en zat er niets anders op dan te verhuizen. Anders dan de bruine kikkers, die ik slechts sporadisch te zien krijg en die vooral 's nachts actief zijn, blijven ze altijd vlakbij of in het water. Soms zitten ze op een lelieblad of zelfs op het vijverterras te zonnen, maar meestal houden ze zich schuil in de oeverbegroeiing of liggen ze tussen de waterplanten prooien te beloeren. Af en toe krijgen ze het met elkaar aan de stok. De strijd is kort maar hevig, behoorlijk spectaculair en perfect voorspelbaar: de grootste blaaskaak wint. Een irritante buurman is echter niet de enige verwikkeling waarmee de groene kikker wordt geconfronteerd. Hij heeft vooral een existentieel probleem: hij bestaat niet. Je zou van minder complexen krijgen!


Stacks Image 3667
Gestolen genoom gedijt

In Nederland komen drie inheemse groene kikkers voor: de Europese meerkikker of grote groene kikker, de poelkikker of kleine groene kikker en de bastaardkikker of – wat dacht je? – middelste groene kikker. In Vlaanderen zou de Europese meerkikker een in 1975 per ongeluk door een Bulgaarse trucker in de buurt van Wetteren geïntroduceerde exoot zijn. Tot die dag zijn de meeste groene kikkers in Vlaanderen bastaardkikkers, een vruchtbare kruising tussen de poelkikker en de meerkikker die al ruim 200.000 jaar geleden zou zijn ontstaan. In het plantenrijk zijn vruchtbare hybriden schering en inslag, maar bij dieren zijn ze zeldzaam. Een dier dat zich geslachtelijk voortplant, erft normaal min of meer de helft van het genoom van beide ouders. Het DNA van de bastaardkikker bevat echter het volledige genoom van de poelkikker én de meerkikker en soms zelfs één van beide in duplo. In de strikte zin van het woord is hij daarom geen echte soort, maar een klepton: een hybride die het genoom van een oudersoort steelt. Vandaar de 'kl.' in Pelophylax kl. esculentus, de wetenschappelijke naam van de bastaardkikker. (Voor de liefhebbers van kikkerbilletjes: esculentus betekent eetbaar en in Frankrijk kennen ze deze kikker dan ook als la grenouille comestible. Maar dit geheel terzijde.) De kruising van een bastaardkikker met een poelkikker levert nieuwe bastaardkikkers op. Die met een meerkikker meestal nieuwe meerkikkers of bastaardkikkers. Door een bastaardkikkermannetje bevruchte eitjes van een bastaardkikkervrouwtje zijn niet levensvatbaar óf ontwikkelen zich tot nieuwe bastaardkikkers en heel af en toe tot meerkikkers. De twee echte soorten en de klepton vormen samen één van de drie groene kikkercomplexen van Europa. De bastaardkikker vertoont in meer of mindere mate de uiterlijke kenmerken van beide oudersoorten en is er in het veld vaak niet of nauwelijks van te onderscheiden. Bastaardkikkermannetjes hebben een zwak voor de veel grotere meerkikkervrouwtjes. In Vlaanderen is het resultaat van die voorliefde dat de exotische meerkikker de inheemse bastaardkikker dreigt te verdringen. In de omgeving van Wetteren is 98 procent van alle groene kikkers intussen al een meerkikker en volgens sommigen is de bastaardkikker dan ook met uitsterven bedreigd. Zo'n vaart zal het wel niet lopen, denk ik. Bovendien gaat er zelfs in het slechtste geval geen genetische informatie verloren. Kruis gewoon een poelkikkermannetje met een meerkikkervrouwtje en de bastaard is back in town. Hoewel…


Stacks Image 3668
Van complex tot complexer

Geduld was ooit een schone zaak, maar lijkt vandaag welhaast een doodzonde te zijn. We willen alles en wel nú. Zes jaar wachten op een groene kikker in de vijver? Ben je mal! We smokkelen kikkervisjes mee uit verre vakantiebestemmingen of kopen een half dozijn zogenaamde Egyptische groene kikkers in de dierenwinkel. In werkelijkheid gaat het meestal om Anatolische, Levantijnse of Iberische meerkikkers. De gevolgen laten zich raden: in 2010 is al ruim de helft van alle groene kikkers in Vlaanderen een exoot. In 70 procent van de gevallen gaat het om de Europese meerkikker. De opmars van de andere exoten, met de Anatolische meerkikker op kop, lijkt echter niet te stuiten. Ze kruisen met elkaar en met de inheemse groene kikkers, als ze die tenminste al niet gewoon verorberen of wegconcurreren. Geen mens die de uitkomst van die genetische en ecologische roulette kan voorspellen. Voor de in Vlaanderen toch al zeldzame poelkikker ziet het er in elk geval niet goed uit en op langere termijn lijkt daarmee ook het lot van de bastaardkikker te zijn bezegeld. Vreemd genoeg lijkt er in Nederland voorlopig geen vuiltje aan de lucht te zijn. Terwijl Belgische herpetologen aan de bel trekken, maken hun Hollandse collega's zich blijkbaar geen of toch veel minder zorgen. In de Nederlandse pers verschijnen dan ook geen alarmerende artikels over exotische meerkikkers die poelen en vijvers koloniseren, inheemse soorten bedreigen en hele woonwijken terroriseren met hun luidruchtig gekwaak. Een kwestie van tijd?

Stacks Image 3669
Stacks Image 3670
Rijmt op missen…

"Zodra je aan vissen denkt denk je aan allerlei dingen die niet bij de moderne wereld horen. Alleen al het idee om de hele dag onder een wilg te zitten bij een stil watertje – en om in staat te zijn een stil watertje te vinden waar je bij kan zitten – behoort tot de tijd voor de oorlog, voor de radio, voor vliegtuigen, voor Hitler. Zelfs in de namen van de gewoonste vissen klinkt vreedzaamheid door. Blankvoorn, ruisvoorn, serpeling, elver, barbeel, brasem, grondel, snoek, kopvoorn, karper, zeelt. Het zijn om zo te zeggen solide namen. De mensen die ze bedachten hadden niet gehoord van machinegeweren, leefden niet in de dodelijke angst dat ze ontslagen zouden worden en slikten ook niet alsmaar aspirines of gingen naar de bioscoop, noch vroegen ze zich af hoe aan het concentratiekamp te ontkomen." (George Orwell)

Net zoals het hoofdpersonage in Orwells Happend naar lucht neem ik me geregeld voor om opnieuw een hengel te kopen en zo af en toe een hele dag naar een dobber te zitten staren. Aan iemand die verzot is op vissen of dat ooit was, hoef je de aantrekkingskracht van die volstrekt zinloze en in menig opzicht barbaarse activiteit niet uit te leggen. Aan alle anderen krijg je het niet uitgelegd. Ik zal het dan ook niet proberen. Het heeft geen zin. Intussen is het ruim een kwarteeuw geleden dat ik nog eens een lijntje heb uitgegooid. Mis ik het? Ja! Zal ik het ooit toch weer doen? Waarschijnlijk niet. De hedendaagse populariteit van de hengelsport zou Orwell misschien verbazen, maar de manier waarop die wordt beoefend, was hem vast een gruwel. Daar zitten ze dan: keurig naast elkaar, op reglementaire afstand, met materiaal dat een half fortuin kost, hengelend naar eeuwige roem in het lokale vissersgenootschap of een foto met kanjer in een hobbymagazine. Ieder diertje zijn pleziertje, maar het is niet die vorm van vissen die volgens Orwell haaks staat op de moderne wereld en waarnaar ik soms zo hevig terugverlang. Hengelen was voor mij allesbehalve een sport. Het was veeleer een contemplatieve activiteit, een vorm van mediteren. Zen zonder onzin. En liefst ook zonder pottenkijkers.


Stacks Image 3671
Vreemde vis in de vijver

Op de foto hierboven zie je het broed van de drie soorten vissen die de tuinvijver bevolken. Van boven naar onder gaat het om
goudelrits, goudrietvoorn en riviergrondel. Hiernaast zie je enkele jonge en volwassen exemplaren. De riviergrondel is een inheemse soort, terwijl de goudrietvoorn een op kleur geselecteerde variëteit van de inheemse riet- of ruisvoorn is. Als ik in de vijverspeciaalzaak waar ik vijf riviergrondels en zestien goudrietvoorns koop ook een bak vol piepkleine goudelritsjes zie, ga ik ervan uit dat het om een kweekvorm van de inheemse elrits gaat. De verkoper bevestigt dat en dus schaf ik me ook een twintigtal elritsjes aan. Een miskoop, zo blijkt, want als ik thuis wat informatie bijeensurf, kom ik er al snel achter dat het in werkelijkheid om de Amerikaanse dikkopelrits gaat. Deze exoot is in de jaren 1980 in Europa geïntroduceerd als aquarium-, vijver- en aasvis. In België en Frankrijk komt hij intussen al in verschillende waterlopen voor en ook in Nederland duikt de soort sporadisch in het wild op. De dikkopelrits kan drager zijn van de bacterie die de enteric redmouth disease veroorzaakt, een uit Amerika overgewaaide ziekte die sommige vissen en amfibieën fataal wordt. Ik overweeg even om de visjes weer uit de vijver te halen en aan de kippen te voeren. Maar, ach, het zijn zulke leuke beestjes en de kans dat ze ontsnappen is nagenoeg nihil. Bovendien ben ik boos. Op mezelf, omdat ik me weer eens heb laten belazeren. Maar ook op onze wetgever. Hoe haal je het in je hoofd om de kweek en verkoop van sommige inheemse soorten te verbieden, terwijl je die van ziekteverspreidende en potentieel invasieve exoten toelaat? Waarom is de handel in inheemse amfibieën verboden, terwijl er overal Anatolische meerkikkers of Italiaanse kamsalamanders te koop zijn? Dat is gewoon om problemen vragen. De oplossing is eenvoudig: gooi alle lijsten met dieren die niet zonder vergunning mogen worden verhandeld in de prullenmand en stel per continent, land en regio één zogenaamde positieflijst op met soorten die er wél mogen worden verhandeld. Op die lijst staan in elk geval alle inheemse soorten, eventueel op voorwaarde dat ze in gevangenschap zijn gekweekt. Dan zaten er nu geen vreemde vissen in mijn vijver, maar wellicht wel drie- of tiendoornige stekelbaarsjes. Zo simpel is dat.


Stacks Image 3672
Zijn amfibieën en vissen compatibel?

Afgezien van onze asielkatten en de kippen zijn de drie soorten vissen de enige dieren op deze site die niet uit eigen beweging in de tuin zijn beland. Vier jaar na de introductie ervan kan ik alleen maar vaststellen dat hun aanwezigheid voorlopig geen negatieve impact op de amfibieënpopulatie heeft. Integendeel: sinds de komst van de twee bastaardkikkermannetjes zijn de
alpenwatersalamander en de vuursalamander nu de enige amfibieën uit de regio die nog ontbreken. De vuursalamander is een eierlevendbarende landsalamander die in vochtige bossen leeft en zich nooit in de tuin zal laten zien. Kortom: vijf van de zes amfibieën die in de omgeving van de Heuvelstraat leven, komen vandaag al in de vijver voor. Op de bastaardkikker na planten ze zich er ook allemaal in voort, het ene jaar al met wat meer succes dan het andere. De vijver is nergens dieper dan 80 cm en de halfronde oever is haast overal dichtbegroeid en allesbehalve steil. Net een poel. In dergelijke omstandigheden vormen vissen voor amfibieën blijkbaar geen probleem, op voorwaarde dat het niet om vraatzuchtige roofvissen gaat. Ook de andere waterdieren doen het uitstekend en er duiken nog geregeld nieuwe soorten op, zoals de geelgerande waterkever of de grote schaatsenrijder. De enige dieren waarvan de aantallen duidelijk zijn geslonken, zijn de bootsmannetjes. Die wantsen hebben de vijver meteen na de aanleg ervan gekoloniseerd en vervolgens jarenlang gedomineerd. Ze zijn nog altijd aanwezig, maar niet langer in groten getale. Ongetwijfeld vormen de vissen belangrijke voedselconcurrenten, maar het is ook mogelijk dat ze de eitjes en/of nimfen van de bootsmannetjes verorberen. Veel voer krijgen de vissen immers niet. Met een zak van minder dan een kilo kom ik een heel jaar toe.
Stacks Image 3673
Stacks Image 3674

Bronnen en links naar meer informatie

  • David Attenborough, Life on Air – Memoirs of a Broadcaster, BBC Books, 2010.
  • Pierre Barouh, Des ronds dans l'eau, 1965, integrale tekst.
  • Pierre Barouh, Des ronds dans l'eau, video op YouTube met een door Barouh zelf gezongen versie van het lied. Wat mij betreft een afknapper.
  • Charles Darwin, Autobiographies, Penguin Books, 2002.
  • Françoise Hardy, Des ronds dans l'eau, één van de talrijke video's op YouTube met deze korte versie van het lied. Een aanrader! Ik vond geen site waarop je de interpretatie van Liesbeth List gratis kunt beluisteren.
  • Gemeentelijk ruimtelijk structuurplan Beernem, kaartenbundel informatief gedeelte, 2008.
  • Griet Holsbeek, Exotische groene kikkers in Vlaanderen, Presentatie, 2009 (pdf).
  • Griet Holsbeek et al., A cryptic invasion within an invasion and widespread introgression in the European water frog complex: consequences of uncontrolled commercial trade and weak international legislation, 2008 (pdf).
  • Robert Jooris, Griet Holsbeek, Groene kikkers in Vlaanderen en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, Natuurpunt Studie, 2010.
  • Wim Kayzer, Een schitterend ongeluk, Uitgeverij Contact, 1994.
  • Milan Kundera, The Unbearable Lightness of Being, Faber and Faber, 1985.
  • George Orwell, Happend naar lucht, Uitgeverij Atlas, 2007. (Engelse versie op eBooks@Adelaide.)
  • Frank Spikmans et al., Plaag Risico Analyses van tien exotische vissoorten in Nederland, Nederlands Centrum voor Natuuronderzoek, 2010 (pdf).
  • An Vanden Broeck, Exoten – Impact van genetische vervuiling en exoten op inheemse soorten, Inbo, 2010 (pdf).
  • Dominique Verbelen, Amfibiee╠łn in Vlaanderen: over Vacil Boev Mancev, de paddenindex, exotisch geweld en kikkerkoorts, De Spille nr. 2, 2009 (pdf).
Geraardsbergen, 19 februari 2012.
Laatst aangepast op 03 september 2014.