Rubriek-Dieren
Stacks Image 3627
De menselijke biologie staat bij talloze dieren in het krijt. Van de paardenspoelworm en de fruitvlieg leerden we hoe erfelijkheid werkt. Een wants vertrouwde ons het geheim van seks toe. De vleermuis verstrekte ons informatie over de bevruchting en de eerste uren van het embryonale leven. Van het konijn leerden we meer over bepaalde meer gevorderde stadia. We hadden een hele dierentuin nodig om onszelf te leren kennen. (Jean Rostand)
Stacks Image 3634
Bij de beesten af

Ik kan me voorstellen dat nog maar weinig mensen weten wie
Jean Rostand is. Zo gaat dat. Hij is één van de meest vooraanstaande Franse biologen, humanisten en moraalfilosofen van de 20ste eeuw. Terwijl Sartre, Foucault, Deridda & Co furore maken met obscure schrijfsels die niemand begrijpt en/of aan een simpele geest als ondergetekende kan uitleggen, zet hij zijn gedachten en inzichten in keurig, haast ouderwets helder en ondubbelzinnig Frans op papier. Zijn aforismen doen me vaak aan die van de verlichtingsfilosofen denken. "De beschaving drukt de menselijke chromosomen uit, ze drukt zich er niet op af." Kijk, daar kan ik iets mee. Jean Rostand schrijft dit aforisme in het begin van de jaren 1950. Anders dan vandaag liggen er dan in de boekhandel geen tientallen boeken over Darwin, natuurlijke selectie, genetica of evolutionaire psychologie.


Niets dierlijks is mij vreemd

In de jaren 1950 zijn de mens en de samenleving nog in extreem hoge mate maakbaar, althans volgens de meeste psychologen, sociologen en pedagogen. We worden geboren als onbeschreven bladen die niet door de natuur, maar door de opvoeding en de cultuur worden volgepend. De balans van het nature-nurturedebat slaat zozeer in het voordeel van de opvoeding door dat velen oprecht geloven dat je van een man een vrouw kunt maken door hem van kindsbeen af als een meisje te behandelen. Laat een jongetje niet met autootjes of een speelgoedgeweer, maar alleen met poppen of een springtouw spelen en het resultaat is een deerne met een prostaat. Lees het verhaal van David Reimer en huiver. Tot diep in de jaren 1980 kan elke bioloog die zich tegen de heersende denkbeelden verzet erop rekenen dat hij voor fascist, racist, seksist of – godbetert – platvloerse materialist wordt uitgescholden. "Hoe beter ik de mensen leer kennen, hoe meer ik van dieren houd", hoor je vooral hondenbaasjes wel eens zeggen. Op een mindere dag bekruipt mij dan vaak de lust om ze in een kleine vijver vol uitgehongerde piranha's te gooien. Ik doe het niet, want voor mij geldt immers precies het omgekeerde: hoe beter ik de andere dieren leer kennen, hoe meer begrip, geduld, deernis en genegenheid ik voor mijn medemensen opbreng. Ook al kramen ze klinkklare onzin uit.

PijlTop

Stacks Image 3635
Encore l'animal

Mensen zijn dieren. Het blijft me verbazen hoe moeilijk veel soortgenoten het met dit zo evidente feit hebben. Geef toe: eigenlijk hebben we het altijd al geweten. Daar hadden we Darwin niet voor nodig. De overeenkomsten zijn zo opvallend, zeker met andere zoogdieren en al helemaal met onze nauwste verwanten, dat je er gewoon niet naast kunt kijken. We aanbidden goden met de kop van een havik, een krokodil, een jakhals of een baviaan. We verzinnen fabels waarin we onze zwakheden, ondeugden en aspiraties op vossen, leeuwen, dassen of katten projecteren. We herkennen onszelf in de dieren om ons heen en dichten andere mensen hun al dan niet vermeende eigenschappen toe. Zo listig als een slang, zo sluw als een vos, zo koppig als een ezel, zo trots als een pauw, zo vals als een kat, zo trouw als een hond, zo bang als een haas en, nou ja, zo stoned als een garnaal.


Vuile speciesist!

"Het is juist het dier in de mens dat het vertikt om niet meer dan een dier te zijn." Jean Rostand heeft gelijk. Alle dieren zijn in wezen verstokte speciesisten. Dierenrechtenactivisten reserveren de term doorgaans voor de mens, een lichtvaardig toegekend privilege waarmee ze in feite alle andere soorten tekortdoen. Alle dieren gedragen zich als de kroon op de schepping, het ultieme doel van het universum en het summum van superioriteit. Andere soorten zijn hooguit vijanden, prooien of concurrenten. Ze maken deel uit van het decor en worden meestal straal genegeerd. Afrikaanse buffels, zebra's, olifanten, neushoorns, gnoes en andere antilopen trekken over de savanne zonder elkaar ook maar een blik waardig te gunnen. De interactie blijft tot een minimum beperkt. Uiteindelijk zijn er in het wild maar heel weinig dieren die echt oog voor andere soorten hebben, ook als het niet om mogelijke prooien dan wel vijanden of rivalen gaat. Dolfijnen, bijvoorbeeld, lijken oprecht belangstelling te tonen voor sommige andere soorten, zoals in neopreen verpakte mensen. Ezels sluiten wel eens vriendschap met paarden, geiten of honden, maar alleen als ze gedomesticeerd zijn. Wilde ezels doen daar niet aan. Honden denken dat ze mensen zijn – tot ze een andere hond ontmoeten – en katten beschouwen hun baasje als portier, ayurvedische masseur en blikopener op zonne-energie. Over het algemeen lijken alleen sommige huisdieren en dieren in gevangenschap een band met andere soorten te hebben. De mens is de uitzondering die de regel bevestigt, tenzij je Homo sapiens als het door zichzelf gedomesticeerde huisdier par excellence beschouwt. Een visie die al met al niet eens zo gek is.


Stacks Image 3636
Sic transit gloria mundi

"De waarheid klinkt altijd akelig", sprak de doodgraver, "Maar als u even nadenkt zult u toch moeten toegeven, dat de hele wereld er voor de doodgravers is."

Als Godfried Bomans eind 1971 op 58-jarige leeftijd overlijdt, is hij de meest populaire en – het ene volgt niet automatisch uit het andere – de meest gelezen auteur van Nederland. Hij is zelfs zo geliefd dat het in literaire kringen hoegenaamd niet bon ton is om hem ook goed te vinden. Vandaag, nu haast niemand hem nog leest, vinden ze het in diezelfde kringen uiteraard godgeklaagd dat Bomans nooit de erkenning kreeg die hij verdiende, laat staan een literaire prijs. Zo gaat dat. Eén van zijn meest bekende boeken is Erik (of het klein insectenboek), het verhaal van een jongetje dat in een schilderij belandt en er kennismaakt met een hele reeks uit hun nek kletsende insecten en ander klein grut. De meeste zijn vol van zichzelf en minachten alle andere dieren. Spinnen, wespen, vlinders, doodgravers: elke soort is de maat van alle dingen. Hoe minder poten, hoe beter, vindt de worm, maar helemaal geen poten is vanzelfsprekend het allerhoogste, een nobel streven dat helaas alleen voor wormen is weggelegd. Natuurlijk is het boek in de eerste plaats een soort fabel waarin Bomans zichzelf en zijn soortgenoten op meesterlijke wijze te kakken zet. Maar wie het leest én begrijpt boort geen Boeing 767 een wolkenkrabber in, dropt geen napalm en Agent Orange op Zuidoost-Aziatische oerwouden, hecht geen geloof aan religies, ideologieën en doctrines waarvan de aanhangers zichzelf als uitverkorenen beschouwen en "bekommert zich niet té zeer om honing…"

PijlTop

Stacks Image 3637
Leer mij de mensen kennen…

"Apen zijn zo goedaardig dat de mens er onmogelijk kan van afstammen." (Friedrich Nietzsche)

"Toen Nietzsche schreef dat de goedheid van de apen hem eraan deed twijfelen of de mens er wel kon van afstammen, maakte hij zich illusies over de eigenschappen van deze inhalige, wreedaardige en hitsige vierhandigen. Ze zijn wel degelijk de voorouders die bij ons passen." (Jean Rostand)

Nietzsche heeft gelijk: we stammen niet af van de apen. Maar Rostand heeft ook gelijk: we zijn van nature net zo zelfzuchtig, moorddadig en geil. De waarheid is dat we gewoon apen zijn. Stammenoorlogen, volkerenmoord, infanticide, parricide en alle andere vormen van geweld die we doorgaans – zo ijdel zijn we wel – alleen de mens toeschrijven, kenmerken ook onze nauwste verwanten. Voor Dian Fossey en Jane Goodall was het even slikken, maar het veldwerk van beide bewonderenswaardige onderzoekers laat er geen twijfel over bestaan: mensen zijn niet de barbaarse, door de beschaving geperverteerde verwanten van de zachtaardige gorilla's en de goedmoedige chimpansees, maar de hoogbegaafde neven en nichten van een allesbehalve vredelievende familie. Het universum is amoreel, jenseits von Gut und Böse. Vanuit menselijk perspectief kun je niettemin stellen dat we van nature slecht zijn. Een afschuwelijke conclusie? Niet echt, want net als gorilla's en chimpansees zijn we ook van nature goed.


Stacks Image 3638
Natura non facit saltus

"Door het feit dat de menselijke moraal zo ver in de evolutionaire geschiedenis teruggaat dat we bij andere soorten signalen ervan kunnen zien, heeft de moraliteit een vaste plaats gekregen vlak bij het centrum van onze veelvuldig belasterde natuur. Zij is noch een recente vernieuwing, noch een dun laagje dat een beestachtige en zelfzuchtige aard verbergt." (Frans de Waal)

De natuur maakt geen sprongen. Het mag dan ook niet verbazen dat andere soorten blijk geven van menselijk gedrag, menselijke emoties of menselijke toewijding. Het tegendeel zou pas echt wonderbaarlijk zijn en in elk opzicht de hele evolutieleer ondergraven. Frans de Waal, de bekende Nederlandse etholoog en primatoloog, heeft het bij het rechte eind als hij stelt dat "een groot deel van de gevoelens en cognitieve capaciteiten die ten grondslag liggen aan de menselijke moraliteit al op deze planeet aanwezig was vóór de mens ten tonele verscheen." Zoals de studie van andere dieren de menselijke biologie ontsluierde, zo leert de observatie van andere soorten ons nu ook steeds meer over de oorsprong en de evolutie van ons gedrag, onze aard en onze zeden. Regels, wetten of samenlevingsvormen die al te zeer tegen de menselijke natuur indruisen, zijn niet levensvatbaar of leiden alleen maar tot een hoop ellende en letterlijk onmenselijke toestanden. We zijn niet 'goed' genoeg voor het communisme en elk marxistisch experiment ontaardt dan ook al snel in een soort
Orwelliaanse dierenboerderij waar de grootste varkens de lakens uitdelen, jachthonden patrouilleren en de rest wordt misleid en uitgebuit. Maar we zijn ook niet 'slecht' genoeg voor een ongebreideld kapitalisme dat onze sociale instincten, ons rechtvaardigheidsgevoel, onze behoefte aan geborgenheid en ons empathisch vermogen ernstig onderschat en miskent. We zijn geen honingbijen of hyenahonden. Maar ook geen solitaire wespen of tijgers. Louis Tobback, een Vlaamse socialist die ooit minister en partijvoorzitter was, maar sinds 1995 vooral als burgemeester van Leuven het nieuws haalt, beweert dat hij zelfs op een kruispunt midden in de woestijn voor rood licht zou stoppen, ook al valt er in de verste verte geen auto of flitspaal te bespeuren. "Terwijl ik de mensen hun slechtheid aanwrijf, blijft het me verbazen dat die niet nog veel verder gaat", schrijft Jean Rostand. Mij verbaast dat niet. Tobback formuleert het erg scherp, maar er zijn gelukkig heel veel mensen die zich domweg aan de regels houden. Het moet natuurlijk wel een beetje redelijk blijven – na een half uur rood zou wellicht zelfs Sint-Tobback het op de heupen krijgen – en er zullen altijd valsspelers zijn die munt slaan uit de volgzaamheid van de kudde. De heilstaat is niet voor morgen, overmorgen of volgend jaar. Daar kunnen we naar fluiten.

PijlTop

Stacks Image 3639
Zielloze automaten

Je gaat makkelijker door het leven zonder ledematen dan zonder vooroordelen. Regenwormen bewijzen dat het eerste perfect kan. Mensen bewijzen dat het tweede schier onmogelijk is. De meeste mensen nemen hun vooroordelen voor lief en staan er zelden of nooit bij stil. Maar sommigen – ze worden vaak intellectuelen of, als het echt de spuigaten uit loopt, filosofen genoemd – nemen daar geen genoegen mee. Ze voelen de drang om hun vooroordelen te presenteren als de stevig gefundeerde conclusies van een redering waar geen speld tussen te krijgen is. Een goed voorbeeld is de 17de-eeuwse Franse filosoof
René Descartes. Hij gelooft in een almachtige God die het universum schept en de mens boven alle andere soorten verheft door alleen hem en – zij het misschien in iets mindere mate – haar met een ziel of geest te begiftigen. Min of meer wat ze hem in het jezuïetencollege van La Flèche met de paplepel hebben ingegoten. Maar dat wil Descartes niet geweten hebben. Hij doet alsof hij alles in vraag stelt en onderzoekt of die methodische twijfel tot kennis en inzichten kan leiden die net zo onweerlegbaar zijn als een zuiver wiskundig bewijs. Zo staat het voor hem als een paal boven water dat hij wel degelijk bestaat. Hij kan eraan twijfelen, maar hij kan er niet aan twijfelen dat hij eraan twijfelt. Cogito ergo sum. Ik denk, dus ik ben. Descartes noemt dit principe "de vaste grond waarop mijn filosofie is gefundeerd". Zelf vind ik de drol die ik vrijwel dagelijks draai een minstens even sterk bewijs voor mijn bestaan als mijn gepieker over de evenwichtigheid van mijn dieet. Ik schijt, dus ik ben. De tweede zekerheid die Descartes' methode hem oplevert, is helemaal van de pot gerukt: uit het feit dat hij bestaat, volgt logischerwijs dat ook God bestaat. Hiervoor baseert Descartes zich op zowat alle godsbewijzen die zijn leermeesters hem in zijn jonge jaren door de strot hebben geramd. Het belangrijkste is een variant op het ontologisch godsbewijs van Anselmus van Canterbury: we kunnen ons een volmaakt opperwezen voorstellen; dat wezen moet bestaan, want anders was het niet volmaakt. Volgens Descartes zouden we zo'n opperwezen bovendien nooit ofte nimmer alleen uit onszelf en op basis van onze waarnemingen kunnen verzinnen. De rede of geest fluistert ons het bestaan van God in. Vermomd als jezuïet, denk ik dan. Of als pa, ma en de kleuterjuf. God is Sinterklaas voor volwassenen.


Stacks Image 3640
Ik denk, dus ik dwaal

Zodra Descartes er absoluut zeker van is dat God bestaat, twijfelt hij ook niet langer aan het bestaan van de werkelijkheid zoals die zich aan ons vertoont. Een volmaakt opperwezen houdt zijn creaturen immers niet voor de gek door ze een volslagen fictieve, irreële wereld voor te spiegelen. Maar wat kunnen we met absolute zekerheid over die realiteit zeggen? Allereerst dat ze uit twee strikt van elkaar gescheiden substanties bestaat, meent Descartes: materie, die ruimte inneemt, en geest. Lichaam en ziel. Op de één of andere, ook voor Descartes volstrekt mysterieuze wijze, is de mens een combinatie van beide substanties. Hij denkt én hij schijt. Dieren schijten alleen maar. Ze denken niet. Deden ze dat wel, dan zouden ze hun gedachten zeker met elkaar en wellicht ook met ons willen delen. Maar dat doen ze niet. Papegaaien en eksters zijn anatomisch perfect in staat om te praten, maar er komt geen zinnig woord uit. Ze hebben immers niets te vertellen, of toch niet meer dan een pop die mama of pipi zegt als je aan het touwtje trekt. Voor Descartes is het duidelijk: dieren zijn gewoon uiterst complexe machines, perfect geassembleerde automaten zonder geest, ziel of bewustzijn. Vaak lijkt het net alsof ze denken, communiceren en bewust gevoelens als pijn, angst, verdriet of vreugde ervaren, maar dat is allemaal slechts schijn. Je mag je oren en je ogen nooit zomaar geloven, want alle zintuiglijke waarnemingen zijn door de materie bezoedeld. Als wiskundige en rationalist geeft Descartes voorrang aan inzichten die hij uitsluitend met zijn verstand en redeneervermogen verwerft. De rede is de enige bron van ware kennis. Dat niet iedereen alles op precies dezelfde manier ziet en duidt, komt doordat de Schepper zo vriendelijk was je de vrijheid te schenken om je te vergissen, fouten te maken en te zondigen. Die vrijheid is de bron van alle kwaad, maar tegelijk je hoogste goed en het enige wat de mens fundamenteel van alle andere wezens onderscheidt. Je vergankelijk lichaam is een machine, maar je onsterfelijke ziel geeft je tot op zekere hoogte de vrijheid om die machine naar eigen goeddunken te besturen. Je bent zelfs zo vrij dat je op elk moment kunnen beslissen om jezelf uit te schakelen. Al belandt je ziel dan wel linea recta in het hellevuur.

PijlTop

Stacks Image 3641
Van papa tot pispaal

Descartes wordt vaak de vader van de moderne filosofie genoemd. Daar zit iets in, maar sommige appels zijn dan wel heel ver van de boom gevallen. Hoe dan ook: indien de jonge Descartes niet in een jezuïetencollege maar in een zenboeddhistisch klooster was opgevoed, lijkt het weinig waarschijnlijk dat zijn radicale twijfel hem tot dezelfde zekerheden en conclusies zou hebben geleid. Zelfs de kans dat notoir atheïst
Richard Dawkins de volgende paus wordt, acht ik aanzienlijk groter. Niettemin pleit het voor Descartes dat hij niet om het even wat klakkeloos slikt, maar eerst en vooral zijn verstand gebruikt. Dat zit de Kerk – en elk ander op verzinsels gebaseerd instituut – helemaal niet lekker. De boeken van Descartes belanden dan ook op de Index. Het geloof in God, de ziel, het hiernamaals en de superioriteit van de mens wankelt immers zodra mensen zelfstandig denken en de prietpraat van schriftgeleerden, kerkvaders en andere autoriteiten negeren. Descartes is een, weliswaar nog sterk geïndoctrineerde vrijdenker en in dat opzicht is zijn status van vader van de moderne filosofie niet eens zo ongerijmd. Maar papa wordt al snel een pispaal.


Gaat Max ook naar de hemel?

Als opa longkanker krijgt en het loodje legt, kun je zijn kleinkind wijsmaken dat hij in de hemel is en er elke dag vier havanna's rookt. Maar hoe zit het met Max, de blonde labrador met artrose die na een zware beroerte een spuitje krijgt? Is Max nu ook in de hemel? Volgens Descartes niet, want een hond is een dier en dieren hebben geen ziel. Dood is dood. Maar Max was zo lief, zo trouw en zo slim! Allemaal inbeelding, meent Descartes. Overigens: als Max een ziel had, moet ook Minoes er één hebben. En als Minoes een ziel heeft, waarom zouden muizen, kikkers, insecten, bacteriën, planten, schimmels of zelfs mineralen er dan géén hebben? Waar trek je de grens? Nee, Max is niet bij opa in de hemel. Opa zal er zijn pantoffels en zijn krant zélf moeten halen.

Stacks Image 3642
In een brief aan de Engelse filosoof Henry More schrijft Descartes dat zijn opvatting dat dieren machines zijn "minder wreed is voor dieren dan inschikkelijk voor mensen (…), want ze pleit ons vrij van elke criminele verdenking als we dieren opeten of doden." Dit citaat duikt vaak op in polemische teksten van militante veganisten. Meestal zeggen ze er dan niet bij dat Descartes een groot deel van zijn leven vegetariër was én laten ze de twee eraan voorafgaande zinnen weg: "Neem er alstublieft nota van dat ik hier over denken spreek, en niet over leven of voelen. Ik ontken niet dat dieren leven, want dat is volgens mij gewoon een kwestie van de warmte van het hart; en ik ontken ook niet dat ze voelen, in zoverre dat afhangt van een lichamelijk orgaan." Ook uit andere teksten blijkt dat Descartes een onderscheid maakt tussen voelen en inzien dat je voelt, tussen pijn hebben en beseffen dat je lijdt, tussen genot ervaren en weten dat je geniet. Het verschil ontgaat mij, maar ik ben dan ook geen dualist. Feit is dat de meeste tegenstanders van Descartes, zowel die van het eerste uur als die van onze tijd, hun pijlen op een karikatuur richten, zodat hun stropopredeneringen vooral hun eigen vooroordelen openbaren. Maar ook de meeste aanhangers van Descartes, met de illustere priester-filosoof Malebranche op kop, stellen zijn visie al te simplistisch voor: dieren zijn zielloze automaten ergo ze zijn domme, gevoelloze wezens. De premisse is zuiver cartesiaans, maar de allesbehalve logische conclusie is dat duidelijk niet.

Stacks Image 3643
De gebeten hond

"In de gangbare betekenis van het woord hebben dieren geen intelligentie en geen ziel. Ze eten zonder vreugde, schreeuwen zonder pijn, groeien zonder het te beseffen. Ze verlangen niets, vrezen niets en kennen niets. Als ze zich toch gedragen op een manier die intelligent lijkt, dan komt dat omdat God, die ze schiep om te overleven, hun lichaam zo heeft gemaakt dat ze machinaal en zonder vrees alles ontwijken wat in staat is om ze te vernietigen." (Nicolas Malebranche)

Stacks Image 3644

Parijs, rond 1700. Rue Saint-Jacques. Tijdens een wandeling met enkele vrienden, waaronder de fabeldichter
Jean de La Fontaine, haalt Malebranche een zwangere teef aan. Vervolgens verkoopt hij haar een schop in de buik, waarop het beest jankend het hazenpad kiest. Als zijn vrienden geschokt reageren, windt de priester-filosoof zich op en zegt dat ze hun medelijden beter voor mensen bewaren. Dieren zijn immers zielloze automaten zonder gevoelens. Nu ben ik allesbehalve een fan van Malebranche, maar ik hecht aan deze historie even weinig geloof als aan die over het Chinees restaurant dat zijn klanten Kitekat voorschotelt. De versie van Bernardin de Saint-Pierre, auteur van de tranentrekker Paul et Virginie, versterkt mijn scepsis. De hond in kwestie is nu Malebranches eigen teef. Ze is niet zwanger, maar heeft pups. Op een dag, in het vuur van een betoog, schopt Malebranche haar met één welgemikte trap morsdood. Kwestie van zijn standpunt kracht bij te zetten. De Saint-Pierre, ruim twintig jaar na de dood van Malebranche geboren, serveert dit broodje aap alsof hij er zelf bij was. Het bewijst dat de emoties hoog oplopen. Voltaire, Diderot en de meeste andere verlichtingsfilosofen vegen de vloer aan met Descartes en Malebranche, die ze gemakshalve over één kam scheren. "Als je begint te redeneren, stop je met voelen", zou Rousseau in verband met deze kwestie tegen de Saint-Pierre hebben gezegd. Ratio versus sentiment. Kille wetenschap versus warme gevoelens. Harde feiten versus vrome meditaties. Formules en cijfers versus al dan niet holle frasen en poëzie. Materialisme versus spiritualisme. Mechanisme versus vitalisme. Genetisch gemodificeerde organismen versus biologisch geteelde gewassen. Pillen versus kruidendrankjes. Al meer dan driehonderd jaar verdeelt de hond van Malebranche de geesten. Hedendaagse dierenrechtenactivisten als Peter Singer beladen Descartes en zijn aanhangers met alle zonden van Israël. Vivisectie? Zowel Descartes als Malebranche zijn er niet vies van. Een levend dier ontleden is tenslotte hetzelfde als een tikkende klok demonteren. In de 18de eeuw is de hond van Malebranche wat het monster van Frankenstein in de 19de, de gepatenteerde kankermuis in de 20ste en – nog even geduld – de transgene olympische atleet in de 21ste eeuw is: het zinnebeeld van een dolgedraaide wetenschap die almaar gekkere professors voortbrengt. Het Vaticaan protesteert. Filosofen organiseren symposia. Doemdenkers kondigen het einde der tijden aan. Journalisten maken er naar aloude gewoonte een potje van. Politici hangen de huik naar de wind. Fanatici plegen aanslagen op vestigingen van fastfoodketens of bevrijden proefdieren. Jan Pet en Truus Thuis snappen er niets van, maar vinden het allemaal wel héél erg. Bij de volgende verkiezingen stemt Jan op de Partij voor de Dieren. Truus haalt een gemaltraiteerde Spaanse windhond in huis en laat haar depressie holistisch behandelen door een pendelende homeopaat met Tibetaanse roots. Er is altijd wel iemand die er beter van wordt.

PijlTop

Stacks Image 3645
L'Homme Machine

"Het is waar dat deze gevierde filosoof (Descartes) zich vaak heeft vergist en niemand zal dat ontkennen. Maar hij had wel een goede kijk op de dierlijke natuur; hij heeft als eerste onomstotelijk bewezen dat dieren louter machines zijn. Na een dermate belangrijke ontdekking die zoveel scherpzinnigheid vergt, zou het van ondankbaarheid getuigen om hem niet al zijn blunders te vergeven!" (Julien Offray de La Mettrie)

In 1748, bijna honderd jaar na de dood van Descartes, verschijnt in Leiden een boek dat zoveel ophef veroorzaakt dat de auteur, die eerder al Frankrijk is ontvlucht, nu ook Nederland moet verlaten en naar Berlijn trekt. Zijn naam is Julien Offray de La Mettrie en de titel van zijn boek spreekt voor zich:
L'Homme Machine. Als atheïst en materialist pur sang verwijst hij God, de geest en de ziel resoluut naar het rijk der fabelen. Hij verwerpt het dualisme van Descartes en verklaart dat mensen, net als alle andere dieren, uiterst complexe automaten zijn. Een kleine stap voor een mens, maar een reuzensprong voor het dierenrijk.

Stacks Image 3646

Verbeelding aan de macht

Dat dieren, planten, zwammen en alle andere levende wezens hoofdzakelijk op zonne-energie draaiende organische automaten zijn, valt vandaag veel minder moeilijk te vatten dan pakweg driehonderd jaar geleden. Welke machines kent Descartes? Water- en windmolens, natuurlijk, maar verder alleen wat door gewichten, slingers of veren aangedreven rudimentaire uurwerken, muziekdozen en speelgoed. Honderd jaar later zijn dergelijke automaten niet alleen sterk geperfectioneerd, maar ook buitengewoon populair. Bovendien reduceert de mechanica van Newton het hele universum tot een gigantische, eeuwig tikkende klok en duiken de eerste functionele stoommachines op. Niettemin is de mens-machine van La Mettrie voor vrijwel al zijn tijdgenoten nog een onvoorstelbaar dwaas, krankzinnig en bovenal godslasterlijk concept. Het gaat hun petje te boven. Zelfs vandaag, in het tijdperk van moleculaire biologie, gentechnologie, productierobots, pacemakers, artificiële intelligentie, spraaktechnologie en steeds knappere androïden, ontbreekt het de meeste mensen aan de verbeeldingskracht die La Mettries ronduit visionaire inzicht vereist. Hij is zijn tijd zo ver vooruit dat de overgrote meerderheid van de huidige wereldbevolking hem bijna drie eeuwen later nog altijd niet heeft ingehaald. De jongste decennia lijkt hij zelfs weer uit te lopen. Dat we dieren zijn, daar kunnen sommigen mee leven, ook al gaat het wereldwijd nog altijd om een minderheid. Maar machines? Automaten? Dat is een klap in het gezicht. Een regelrechte kaakslag!

Stacks Image 3647
Liefde in tijden van DNA

"En God zeide: Dit is het teken van het verbond, dat Ik geef tussen Mij en u en alle levende wezens, die bij u zijn, voor alle volgende geslachten: mijn boog stel Ik in de wolken, opdat die tot een teken zij van het verbond tussen Mij en de aarde." (Genesis 9: 12-13)

Volgens de Engelse dichter
John Keats ruïneert Newtons optica de poëzie van de regenboog door dit natuurverschijnsel wetenschappelijk te verklaren. In Unweaving the Rainbow stelt Richard Dawkins dat die wetenschappelijke verklaring juist veel interessanter, creatiever en zelfs poëtischer is dan de oude mythen en andere verdichtselen. Een halve eeuw eerder schrijft Jean Rostand al dat de biochemie niet alle poëzie uit de liefde haalt, maar gewoon meer poëzie in de scheikunde stopt. Het is maar hoe je het bekijkt. Zowel Rostand als Dawkins zijn ervan overtuigd dat de mensheid beter af zou zijn zonder religies, bijgeloof en dweepzucht. Misschien hebben ze gelijk, maar we zullen het wellicht nooit te weten komen. De meeste mensen zijn nu eenmaal te dom en/of dom gehouden om wetenschappelijke verklaringen te vatten, laat staan de pracht ervan in te zien. Of anders kan het ze gewoon geen moer schelen. Ze hebben wel wat beters te doen. Overleven, bijvoorbeeld, of in de supermarkt beslissen of ze al dan niet die nieuwe, peperdure antirimpelcrème van hun vertrouwde merk zullen kopen. Geïnspireerd op gentherapie! Ik bewonder Dawkins, maar hij doet me net iets te vaak denken aan de free-jazzliefhebber die geen kans onbenut laat om zieltjes te werven. Vermoeiend, irritant en allesbehalve doeltreffend. Hoe helder, snedig en spits Dawkins zijn standpunten ook verwoordt, de meeste mensen hebben er geen boodschap aan of vinden de boodschap gewoon niet te pruimen. Over de onsterfelijke ziel van de naar Gods evenbeeld geschapen mens schrijft La Mettrie in 1751, het jaar van zijn dood: "Het is een fluitje van een cent om mensen te doen geloven wat ze willen geloven. Je overtuigt ze moeiteloos van alles wat hun ijdelheid streelt." Anders gezegd: je krijgt het hiernamaals of de Vader, de Zoon en de Heilige Geest makkelijker verkocht dan het mens-dier of de mens-machine.

PijlTop

Stacks Image 3648
There is grandeur in this view…

"Er is grootsheid in deze kijk op het leven, met zijn verschillende krachten, dat oorspronkelijk in enkele soorten of slechts één soort werd geblazen; en dat, terwijl deze planeet volgens de onwrikbare wet van de zwaartekracht bleef ronddraaien, uit zo'n eenvoudig begin ontelbare uiterst mooie en verbazingwekkende soorten evolueerden en nog steeds evolueren." (Charles Darwin)

Darwin beseft dat zijn evolutieleer weliswaar buitengewoon opwindend, maar tegelijk ook moeilijk te verteren is, zeker voor de meeste van zijn tijdgenoten. Je wordt er niet meteen vrolijk van. Wellicht probeert hij juist daarom de door stom toeval en natuurlijke selectie aangedreven evolutie een poëtische draai te geven. Net zoals Rostand, Dawkins en talloze andere biologen na hem. De
allerlaatste zin van de allerlaatste paragraaf van The Origin of Species is ongetwijfeld de meest geciteerde uit zijn hele oeuvre. Vanaf de tweede editie sluipt zelfs de Schepper er weer in, een toegeving aan het Victoriaanse wereldbeeld die de atheïst Darwin later zuur opbreekt. Maar zijn visie op de oorsprong en de evolutie van de biodiversiteit op onze planeet is inderdaad oneindig veel boeiender, interessanter en grootser dan Genesis en alle andere scheppingsverhalen. Bovendien is wat Dawkins The Greatest Show on Earth noemt simpelweg waar. Een kwaliteit die, alle kennistheoretische haarkloverij ten spijt, toch niet onbelangrijk is. De visie van La Mettrie – dat mensen en bij uitbreiding alle levende wezens machines zijn – oogst van meet af aan veel minder bijval, maar is in wezen net zo fascinerend en groots als Darwins evolutieleer. Zet je ijdelheid aan de kant, denk langer dan twee minuten na en je komt al snel tot de conclusie dat La Mettries stelling helemaal niet zo ridicuul, weerzinwekkend of mensonterend is. Om Rostand te parafraseren: het 'machinisme' van La Mettrie haalt niet alle poëzie uit het leven, maar stopt gewoon meer poëzie in machines. Het darwinisme begint als een hypothese die door steeds meer vondsten en observaties wordt ondersteund om uiteindelijk pas diep in de 20ste eeuw een door de genetica zwart op wit bewezen wetenschappelijke theorie te worden. Is het 'lamettrisme' hetzelfde lot beschoren? Feit is dat elke concrete vooruitgang in elke biowetenschap – van embryologie en fysiologie tot pathologie en psychologie – de 18de-eeuwse hypothese van La Mettrie bevestigt, terwijl niet één wetenschappelijk experiment of ontdekking die hypothese ondermijnt. Dat ziet er dus goed uit.

Stacks Image 3649
Het verhaal van de moraal

Als Descartes de vader van de moderne filosofie is, is La Mettrie de vader van de biowetenschappen of toch minstens die van de biotechnologie. Organismen zijn machines waaraan je volop kunt sleutelen, zoals een monteur aan een auto. Descartes is een wiskundige. Hij wantrouwt zijn zintuigen en emoties en is het prototype van de filosoof, ideoloog of moralist die vanuit zijn luie zetel uitspraken over de werkelijkheid doet. La Mettrie is een arts. Hij hecht veel minder waarde aan de rede dan aan zijn zintuigen en gevoelens. Als een dier kronkelt, spartelt, jankt, gilt of huilt alsof het pijn heeft, leidt hij daaruit af dat het wellicht ook echt pijn voelt. Maar kunnen machines lijden? Volgens Descartes niet, of althans niet bewust. Volgens La Mettrie wel, want mensen zijn machines en niemand twijfelt eraan dat mensen kunnen lijden. Vreemd genoeg verzetten uitgerekend vegetariërs, veganisten, dierenliefhebbers en milieuactivisten allerhande zich vaak het felst tegen de stelling van La Mettrie. Ze willen geen machines of automaten zijn. Ze willen een ziel, een geest en een vrije wil. Maar wat is er mis met een machine? Waarom zou een automaat geen individu kunnen zijn, een uniek emotioneel en cognitief wezen dat respect verdient? Descartes en Malebranche plaatsen de mens op een voetstuk en degraderen alle andere dieren tot complexe, door God geschapen horloges. La Mettrie stoot de mens van zijn voetstuk en verheft alle levende wezens tot verbluffende, door de natuur gemonteerde automaten. Dieren hebben er vrede mee. Planten staan er niet bij stil. Zwammen breken zich er de hoed niet over en alle andere organismen vinden het best. Alleen de mens sputtert tegen, bang als hij is om straks op het recyclagepark bij de afgedankte elektrische en elektronische apparaten te belanden. Nochtans is het enige morele voorschrift dat je met heel veel goede wil uit La Mettries hypothese zou kunnen afleiden dat we wat zorgvuldiger en respectvoller met door mensen gemaakte machines moeten omgaan. We zijn tenslotte allemaal automaten. Denk aan bioscoopfilms als A.I., WALL·E, Terminator 2 of RoboCop. Een van de thema's van deze en tientallen andere sf-prenten en boeken is de status van geavanceerde robots, androïden en cyborgs. Behandel je ze met respect of als de hond van Malebranche? De stelling van La Mettrie heft dit dilemma op. Ik zal het niet meer meemaken, dus ik lig er niet van wakker. Maar als de mens er ooit in slaagt om dergelijke robots te produceren, dan hoop ik voor mijn soortgenoten dat die automaten geen cartesianen zijn. En de vrije wil? Breek me de bek niet open. "De mens is ertoe veroordeeld om vrij te zijn", beweert Sartre onder meer in L'être et le néant. Goed gevonden en ik snap ook min of meer wat hij bedoelt. Maar het blijft lariekoek, uit de lucht gegrepen flauwekul van een gebrekkig gecamoufleerde dualist. Vrijheid en vrije wil hebben niets met elkaar te maken. Vrijheid is een concreet gegeven, iets wat je in min of meerdere mate hebt of niet hebt. "Ik ben vrij", denkt de ex-gedetineerde. Maar in feite is hij niet vrijer dan toen hij nog in de cel zat. Hij heeft alleen een hogere graad van vrijheid. De vrije wil, ons de hemel in geprezen goddelijk geschenk, is een illusie. We zijn niet vrij. We zijn automaten die er blijkbaar toe veroordeeld zijn om te denken dat en te doen alsof we vrij zijn. Maar dat is een ander verhaal…

PijlTop

Een kijk op het dierenrijk

Dieren zijn meercellige organismen waarvan de cellen alleen een levend membraan en geen harde, dode wand hebben. Ze zijn nauwer verwant met
zwammen dan met planten en hebben zuurstof nodig voor de verbranding van hun voedsel. In zekere zin zijn alle dieren parasieten: ze halen hun energie hoofdzakelijk uit andere organismen. Denk alle dieren weg en de Aarde blijft een levende, groene planeet. Denk alle planten weg en het leven verdwijnt.


Animo in de tuin

Anders dan planten en zwammen zijn alle soorten van het dierenrijk (
Animalia) mobiel, zij het soms alleen in een bepaalde fase van hun ontwikkeling. Zeepokken, bijvoorbeeld, beginnen hun leven als larven die vrij rondzwemmen, maar hechten zich later definitief aan de één of andere ondergrond. Dieren brengen letterlijk animo in de tuin. Ze lopen, kruipen, weven, klimmen, huppen, zwemmen, graven, boren, springen, zweven, glijden, schaatsen, duiken, vliegen of fladderen alsof hun leven ervan afhangt. Nu ja, alsof… Meestal zijn ze gewoon op zoek naar voedsel of nemen ze de benen om niet zelf als voedsel te eindigen. Ze grazen, pikken, scheuren, knagen, zuigen, bijten, happen, knauwen, steken, kluiven of knabbelen om hun metabolisme in stand te houden. Bovendien zijn talloze dieren gepatenteerde seksmaniakken. Hoe zuinig ze in de regel ook met energie omgaan, als het begint te kriebelen gooien ze alle reserves overboord. Er valt geen land mee te bezeilen. Niet zelden blijkt deze obsessief-compulsieve stoornis dan ook dodelijk te zijn. Geen haan die ernaar kraait, want het nageslacht is verzekerd. En over kraaien gesproken: populieren ratelen, rietvelden ruisen en brempeulen knappen, maar dieren zijn ongetwijfeld de grootste herriemakers. Ze blaffen, balken, loeien, blaten, kwelen, huilen, zoemen, koeren, janken, grommen, piepen, fluiten, krassen, kwaken, brullen, roffelen, kakelen of miauwen zonder enig respect voor de geluidsnormen, de buren of de meest elementaire regels van de harmonieleer. Mensen toch!


Van mond tot kont

Alle dieren in
de tuin aan de Heuvelstraat 37 behoren tot het onderrijk van de orgaandieren (Eumetazoa) en zijn tweezijdig symmetrisch: je kunt ze op slechts één manier in twee ongeveer gelijke helften delen. Hun linker- en rechterkant zijn elkaars spiegelbeeld. De meeste zijn oermondigen (Protostomia), terwijl de superstam van de nieuwmondigen (Deuterostomia) slechts door enkele tientallen soorten uit vier klassen van de onderstam van de gewervelde dieren (Vertebrata) is vertegenwoordigd: amfibieën, vissen, vogels en zoogdieren. Oermondigen zijn evolutionair veel ouder. De eerste lichaamsopening die in de embryonale fase van deze soorten wordt gevormd, ontwikkelt zich tot een mond. Bij de nieuwmondigen vormt die 'oermond' uiteindelijk de anus, terwijl de mondholte zich pas later ontwikkelt. Wereldwijd zijn vandaag slechts om en bij de 60.000 soorten nieuwmondigen bekend, terwijl al ruim een miljoen soorten oermondigen zijn beschreven. Geen wonder dus dat ze ook in de tuin en op deze site de boventoon voeren. Het gaat vooral om soorten uit de klasse van de insecten, al is ook de klasse van de spinachtigen goed vertegenwoordigd.


Waar zijn de reptielen?

Goede vraag! Vlaanderen telt slechts vijf inheemse reptielen: de gladde slang, de ringslang, de adder, de hazelworm en de levendbarende hagedis. In de buurt van Geraardsbergen worden sinds 1995 amper twee soorten waargenomen: de hazelworm en de levendbarende hagedis, meteen ook de enige inheemse reptielen die ik ooit in het wild te zien kreeg. Niet in Geraardsbergen, maar in het West-Vlaamse Beernem, mijn geboorteplaats. In mijn tuin komen ze dus niet voor. Misschien duikt er ooit een exemplaar van één van beide soorten op, met
de hazelworm als grootste kanshebber. Weinig waarschijnlijk, maar áls het gebeurt en ik slaag erin om het beest te fotograferen, dan neem ik het op in de categorie Andere dieren. Die categorie omvat momenteel uitsluitend ongewervelde dieren die geen Insecten zijn en ook niet thuishoren in de categorie Spinnen & Hooiwagens.

PijlTop

Stacks Image 3656
Stacks Image 3657

Bronnen en links naar meer informatie

  • Godfried Bomans, Erik, of het klein insectenboek, Prisma-Boeken (Het Spectrum), 1980.
  • John Colapinto, As Nature Made Him: the Boy Who Was Raised as a Girl, Harper Perennial, 2006.
  • Charles Darwin, The Origin of Species, Penguin Classics, 1987.
  • Richard Dawkins, The Greatest Show on Earth – The Evidence for Evolution, Bantam Press, 2009.
  • Richard Dawkins, Unweaving the Rainbow, Penguin Books, 1999.
  • Jacques-Henri Bernardin de Saint-Pierre, Oeuvres complètes, Google boeken.
  • René Descartes, Animals are Machines, drie fragmenten waaronder de brief aan Henry More (pdf).
  • René Descartes, Discours de la méthode pour bien conduire sa Raison et chercher la Vérité dans les Sciences, mozambook, 2001.
  • Frans de Waal, Van nature goed – Over de oorsprong van goed en kwaad in mensen en andere dieren, Olympus, 1996.
  • Dian Fossey, Gorillas in the Mist, Penguin Books, 1985.
  • Jane Goodall, Through a Window – Thirty Years with the Chimpanzees of Gombe, Penguin Books, 1991.
  • Richard Holmes, The Age of Wonder – How the Romantic Generation Discovered the Beauty and Terror of Science, Harper Press, 2009.
  • Friedrich Nietzsche, Nietzsche Werke – Kritische Gesamtausgabe – Herausgegeben von Giorgio Colli und Mazzino Montinari – VII2 – Nachgelassene Fragmente Frühjahr-Herbst 1884, Walter de Gruyter & Co, 1973.
  • Julien Offray de La Mettrie, L’Homme Machine, Wikisource.
  • Julien Offray de La Mettrie, Oeuvres Philosophiques I, II, Librairie Arthème Fayard, 1987.
  • Nicolas Malebranche, Oeuvres complètes de Malebranche I, Google boeken.
  • George Orwell, Animal Farm, Penguin Books, 1951.
  • Jean Rostand, Pensées d'un biologiste, Éditions Stock, 1954.
  • Jean-Paul Sartre, L'être et le néant – Essai d'ontologie phénoménologique, Éditions Gallimard, 1943.
  • Peter Singer, Animal Liberation, Ecco Press, 2001.
  • Voltaire, Dictionnaire philosophique, Éditions Garnier, 1967.
  • Richard Watson, Cogito Ergo Sum: The Life of René Descartes, David R Godine, 2007.

PijlTop

Geraardsbergen, 24 juni 2011.
Laatst aangepast op 24 juni 2011.